
Voor de voorstelling Vangst heeft Roos van Geffen een jaar lang elke dag buiten achter een typmachine gezeten om voorbijgangers om hun grootste verlangens en angsten te vragen. Met de antwoorden en vaak aandoenlijke verhalen van haar voorbijgangers heeft ze haar voorstelling gevoed.
De voorstelling begint met een meisje die heel precies stapels van die angsten en verlangens kaartjes inpakt en in het vervolgens archiveert. Terwijl ze dit doet hoor je een voice over die de verhalen van verschillende voorbijganger opleest. Het meisje is ondertussen heel geconcentreerd bezig met het inpakken en heeft daar ook een bepaalde kadans in. Hoe langer je naar haar kijkt hoe meer details je opvallen bij haar acties, en hoe vreemder het er eigenlijk uit gaat zien.
Terwijl zij nog steeds lekker doorgaat heb je als toeschouwer inmiddels de rest van de kamer waar het meisje in zit gescant. Er ligt al vanaf het begin een heel groot papieren pakket in het midden op een tafel. Na een tijdje begin je je af te vragen of er misschien iemand in zit, maar het duurt zolang voordat het meisje iets met het pakketje gaat doen, dat je die gedachte eigenlijk alweer verworpen hebt.
Als ze dan eindelijk klaar is met het inpakken begint ze aan het grote pakket. En ja hoor na einige tijd proberen krijgt ze het pakketje open en er blijkt inderdaad een man in te zitten. Ze is er zelf heel kalm bij en begint alsof het een standaard procedure is met het schoonmaken van de man. Alles van zijn teen nagels tot aan achter zijn oren maakt ze met een doekje schoon. Eenmaal schoon weet ze niet zo goed wat ze ermee aan moet, ze begint een beetje te verkennen. Zijn handen anders leggen, zijn hoofd optillen enzovoorts. De man is ondertussen nog helemaal levenloos en werkt niet bepaald mee met het meisje. Er speelt zich nu eigenlijk bijna een choreografie af waarin veel vreemde maar ook herkenbare lichaams houdingen voorkomen.

Ik vond het meisje erg lijken op een kind die zijn vader aan het ontdekken is waarbij de vader alles toelaat maar toch ook te moe is om mee te spelen. Ze gaat steeds verder en het word steeds vreemder en wanhopiger tot op een punt dat ze zichzelf omarmt met de armen van de man. Je begint nu langzaam door te krijgen dat ze eigenlijk heel graag wil dat de man weer levend word en meewerkt. Na veel gedoe is het haar gelukt om de man op te tillen alsof hij zelf staat, ze begint heel rustig met hem te lopen en dan gebeurt het, heel vloeiend en geleidelijk aan begint de man zelf te lopen en staan ze zonder elkaars hulp naast elkaar. Hij begint spontaan te zingen en zij valt rustig neer. De rollen zijn omgedraait. En daar eindigt het.
Even abrupt als ik het nu schrijf, zo voelde het toen bij de voorstelling ook. Het einde is een moment waarop die eindeloze routines van het meisje eindelijkt tot een resultaat lijken te komen maar voor wat hoort wat. Wat het einde precies inhoud weet ik eigenlijk niet, het enige wat ik wel weet is dat Roos in de voorstelling heel goed werkt met de verwachting van het publiek en het vervreemden van hele gewone acties en bewegingen, waardoor je in een hele andere mindset komt.